Meer weten over ons waterbeleid

Financiering
  • Terugblik op 2016

    Samenvatting voortgangsrapportage Staat van Ons Water 2016
  • Bestuurlijke ontwikkelingen

    De rol van overheden en instanties uitgelegd
    Wie gaat over wat?
  • Waterveiligheid

    Alles rondom waterveiligheid
    Zijn we goed beschermd?
  • Waterkwaliteit

    De kwaliteit van water in onze omgeving
    Hoe zit het met waterkwaliteit?
  • Waterbeschikbaarheid en waterketen

    Over de beschikbaarheid van water
  • Water en leefomgeving

    De invloed van water op de leefomgeving
    Hoe beïnvloed het klimaat en/of water ons landschap?
  • Grote wateren

  • Verduurzaming

    Afvalwater als bron van energie en grondstoffen
    Hoe duurzaam is de waterketen?
  • Inzet wereldwijd

    Nederland: waterexpert van de wereld
    Wat doen we met onze waterkennis?
  • Financiering

    Je waterrekening toegelicht
    Hoeveel kost dat waterbeheer ons?
  • Inleiding

    Overheidsdiensten en drinkwaterbedrijven geven per jaar ruim zeven miljard euro uit om ons land te beschermen tegen overstromingen, om over voldoende zoetwater te beschikken en om te zorgen voor voldoende en schoon (drink)water. Die zeven miljard euro wordt betaald uit belastingen voor het rioolgebruik, de zuivering van afvalwater, het beheer van alle wateren, de dijken en gemalen en uit de drinkwaterrekening. Onder meer door klimaatverandering wordt verwacht dat de kosten zullen toenemen. Om die toename niet groter te laten worden dan strikt nodig, zijn er samenwerkingsafspraken gemaakt om het geld zo doelmatig mogelijk te besteden.

  • Wat kost het waterbeheer ons?

    De infographic Financiën geeft inzicht in de ontwikkeling sinds 2010 van de kosten van de verschillende organisaties met een taak in het waterbeheer en in de totale kosten van het Nederlandse waterbeheer. De bedragen hebben prijspeil 2016. De totale kosten in 2016 bedroegen 7,1 miljard euro, wat 1,1 procent hoger is dan in 2015. Dit komt met name door hogere kosten bij het Rijk (het ministerie van Infrastructuur en Milieu), de gemeenten en de provincies.

    De infographic geeft ook een beeld van de verdeling van de uitgaven van het ministerie van IenM en de kosten van de waterschappen over hun belangrijkste beleidstaken in 2010 en 2016. Zowel bij het ministerie van IenM als bij de waterschappen is het aandeel van de kosten voor het beleidsveld  waterkeringen  toegenomen. Dit weerspiegelt het toegenomen belang van de waterveiligheidstaak, gezien de ontwikkelingen in de zeespiegelstijging, perioden met pieken in de afvoer van rivierwater en bodemdaling.

    Financiën, uitgaven 2017

    De infographic hieronder geeft een overzicht van de Rijksfinanciën die voor het waterbeleid beschikbaar zijn. De figuur laat de cijfers zien voor integraal waterbeheer uit Hoofdstuk XII (2017-2022) van de Rijksbegroting en het budget van het Deltafonds voor de periode 2016-2030. Uit het Deltafonds worden maatregelen gefinancierd voor de waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit. Voor beide Hoogwaterbeschermingsprogramma’s die onderdeel zijn van het Deltafonds, is sprake van cofinanciering door de waterschappen. In 2016 bedroeg de bijdrage van de waterschappen 186 miljoen euro.

  • Doelmatigheidswinst

    In onze laaggelegen delta worden voortdurend maatregelen genomen in het watersysteem om de veiligheid, bewoonbaarheid en volksgezondheid te garanderen. Om de noodzakelijke maatregelen te nemen en tegelijk de rekening (met name belastingen) voor huishoudens en bedrijven betaalbaar te houden, hebben de waterbeheerders en de drinkwaterbedrijven in 2011 in het Bestuursakkoord Water afgesproken om de kostenstijgingen te beperken. Dit moet leiden tot een gematigde lastenontwikkeling.

    Het beperken van de kostenstijging gebeurt door het vergroten van de doelmatigheid via meer en intensiever samenwerken en interne besparingen. De doelmatigheidswinst die de waterbeheerders en de drinkwaterbedrijven nastreven, loopt tot 2020 geleidelijk op naar minimaal 750 miljoen euro ten opzichte van 2010. Het totaalbedrag bestaat uit 450 miljoen euro in de waterketen (drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering) en 300 miljoen euro in het watersysteem (waterkeringen, oppervlaktewater, grondwater, waterbodems, oevers en kunstwerken).

    Om na te gaan of de afgesproken gematigde lastenstijging en doelmatigheidswinst daadwerkelijk worden gerealiseerd, wordt door de BAW-partners langs drie parallelle sporen gemonitord:

    Spoor 1: Ontwikkeling van de lokale lasten en kosten
    Spoor 2:  Doelmatigheidswinst in de praktijk
    Spoor 3:  Ontwikkeling van de geleverde prestaties door de partijen

    Op de sporen 1 en 2 wordt jaarlijks gemonitord en gerapporteerd in De Staat van Ons Water. In het jaar nadat de drie grote benchmarks in de waterketen (drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering) zijn verschenen, wordt een integrale rapportage op alle sporen gemaakt. Het vervolg van dit hoofdstuk is een samenvatting van deze rapportage. De financiële gegevens in deze paragraaf hebben prijspeil 2010, tenzij anders vermeld. De cijfers, onderliggende onderbouwing en berekeningen van de gemeenten, waterschappen en waterbedrijven zijn getoetst en akkoord bevonden door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO).

    Doelmatigheidswinst 2017

  • Spoor 1: Ontwikkeling van de lokale lasten en kosten

    In het eerste spoor worden de werkelijke belastingopbrengsten of kosten van de waterbeheerders en de drinkwaterbedrijven vergeleken met de prognose uit het Bestuursakkoord Water (BAW). De prognose geeft aan hoe de opbrengst-/kostenontwikkeling zou zijn geweest zonder de invloed van het BAW en van andere ontwikkelingen die bij de voorbereiding van het BAW nog niet bekend waren. Als de werkelijke ontwikkeling lager is dan de prognose, geeft dit aan dat er voldoende doelmatigheidswinst wordt behaald.

  • Belastingopbrengsten afvalwaterketen
    In de grafieken hieronder wordt de relatie zichtbaar tussen de feitelijke ontwikkeling van de opbrengst van de rioolheffing van de gemeenten en de zuiveringsheffing van de waterschappen (blauwe stippen) en de prognose van de ontwikkeling van beide heffingen, zowel zonder als met de invloed van de doelmatigheidsdoelstelling van het Bestuursakkoord Water (BAW, rode respectievelijk groene lijn). De prognoses zijn in 2017 bijgesteld op grond van de zogenoemde autonome ontwikkelingen in de periode 2013-2016; dit zijn ontwikkelingen waarop de organisaties zelf geen invloed hebben.

    Hieruit blijkt dat ook in 2016 de trend werd voortgezet, dat de feitelijke stijging van de belastingopbrengsten voor het beheer van de afvalwaterketen gematigder is dan bij het afsluiten van het BAW was voorzien. De besparingen op de heffingsinkomsten zijn zichtbaar en zijn tot nu toe sneller gerealiseerd dan in 2011 werd ingeschat. De werkelijke belastingopbrengst van de waterschappen en gemeenten in de afvalwaterketen ligt momenteel 343 miljoen euro onder de BAW-prognose zonder doelmatigheidswinst.

    De besparingen zijn mede te danken aan een andere investeringsstrategie, die inmiddels wordt toegepast. Deze kent twee aspecten. Enerzijds is deze gebaseerd op intensiever meten en monitoren van afval- en regenwaterstromen. Hierdoor neemt het inzicht in de feitelijke toestand en het functioneren van de afvalwaterketen toe. Op basis van dit inzicht en het beter benutten van de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen (lokaal maatwerk in plaats van het dogmatisch toepassen van (generieke) normen), worden nut en noodzaak van investeringen beter in beeld gebracht dan voorheen. Anderzijds is de investeringsstrategie inmiddels gebaseerd op assetmanagement. Toepassing van assetmanagement heeft geleerd dat de technische levensduur van infrastructuur vaak aanzienlijk langer is dan waarvan ten tijde van de bouw werd uitgegaan. Met risico gestuurd onderhoud wordt deze technische levensduur optimaal benut met behoud van bedrijfszekerheid. Dit alles heeft tot heroverweging van investeringsprogramma’s geleid, waarbij als uitgangspunt is gehanteerd dat bijstellingen van deze programma s geen negatieve gevolgen op de prestaties mogen hebben.

    De grafieken laten zien dat de doelmatigheidswinst die wordt bereikt niet voorkomt dat de belastingopbrengsten voor het beheer van de afvalwaterketen stijgen. De opgaven als gevolg van hevigere neerslag (klimaatverandering) en milieukwaliteitseisen (onder meer EU Kaderrichtlijn Water) zijn hiervoor te groot. Een andere belangrijke factor is dat gemeenten en waterschappen de meeste investeringen activeren en langjarig afschrijven (perioden van 10 tot 80 jaar). De oorspronkelijke aanleg van riolering en afvalwaterzuiveringen is vaak vanuit grondopbrengsten respectievelijk subsidies betaald, waardoor hiervoor geen kapitaalslasten zijn ontstaan. De latere vervangingsinvesteringen in riolering en afvalwaterzuiveringen leiden wel tot jaarlijkse kapitaalslasten, die uit de heffingen worden gefinancierd.

    Ontwikkeling belastingopbrengsten afvalwaterketen
    Ontwikkeling van de totale belastingopbrengsten voor de afvalwaterketen

    Ontwikkeling heffingsinkomsten rioolheffing gemeenten
    Ontwikkeling van de heffingsinkomsten van de rioolheffing van de gemeenten

    Ontwikkeling opbrengsten zuiveringsheffing waterschappen

    Ontwikkeling van de opbrengst van de zuiveringsheffing van de waterschappen

  • Drinkwaterkosten
    Uit de grafiek hieronder blijkt dat de kosten van de drinkwaterbedrijven zich gunstiger ontwikkelen ten opzichte van de prognose uit het Bestuursakkoord Water (BAW). Dit komt doordat besparingen versneld zijn doorgevoerd en extra besparingen zijn gerealiseerd in de operationele bedrijfsvoering.

    Daarnaast blijven de investeringen iets achter bij de prognose door verbeteringen in het assetmanagement. Ook de drinkwaterbedrijven hebben hierbij het uitgangspunt gehanteerd dat bijstellingen van het investeringsprogramma niet tot een lagere kwaliteit van de taakuitvoering en dienstverlening mogen leiden. Dit beeld geldt voor alle drinkwaterbedrijven. De werkelijke kosten van de drinkwaterbedrijven liggen 80 miljoen euro onder de BAW-prognose zonder doelmatigheidswinst.

    Ontwikkeling drinkwaterkosten
    Ontwikkeling van de drinkwaterkosten

  • Totale belastingopbrengst waterschappen
    Als gevolg van het Bestuursakkoord Water (BAW) komen sommige uitgaven voor rekening van de waterschappen, die voorheen door het Rijk werden betaald. De waterschappen hebben de muskusrattenbestrijding overgenomen van de provincies, wat voorheen voornamelijk werd bekostigd uit het Provinciefonds. Tot 2011 werd het Hoogwaterbeschermingsprogramma volledig bekostigd uit de Rijksbegroting. Vanaf 2011 betalen ook de waterschappen mee, oplopend tot 186 miljoen euro per jaar vanaf 2016 (prijspeil 2016).

    Uit de grafiek hieronder blijkt dat de belastingopbrengsten minder sterk stijgen dan voorzien bij het afsluiten van het BAW. De gematigde stijging van de belastingopbrengsten wordt voor een deel veroorzaakt door de vele doelmatigheidsinitiatieven die de waterschappen ontplooien, zowel in eigen huis als met andere partners. Daarnaast hebben de waterschappen in 2011 een deel van de toegenomen kosten voorgefinancierd en niet ten laste gebracht van de belastingplichtigen. In de prognose werd ervan uitgegaan dat alle extra kosten direct in de belastingopbrengst zouden komen. Hierdoor werd in 2011 direct een structureel 'grote voorsprong' genomen ten opzichte van de prognose.

    Ontwikkeling belastingopbrengsten waterschappen
    Ontwikkeling van de totale belastingopbrengsten van de waterschappen

  • Ontwikkelingen bij de provincies
    In deze tabel zijn de kosten van de provincies voor het waterbeheer weergegeven.

    Kosten provincies waterhuishouding
    Kosten provincies op functie waterhuishouding (prijspeil 2010)
    (Bron: CBS)

    Uit onderstaande grafiek blijkt dat de kosten van de provincies op het gebied van de waterhuishouding vanaf 2010 dalen. Deze daling wordt voornamelijk gerealiseerd op de functie waterkeringen. Dit is onder andere veroorzaakt door de overdracht van de muskusrattenbestrijding naar de waterschappen in 2011. Dit betekende voor de provincies een kostenverlaging van 25 miljoen euro. De provincies zijn met eenzelfde bedrag door het Rijk gekort op hun uitkeringen. Daarnaast is in 2012 de integratie-uitkering rivierdijkversterkingen/hoofdwaterkeringen vervallen, waardoor het provinciefonds met 42,2 miljoen euro is gekort. Uit dit bedrag werden de rente en aflossingen op de verstrekte bijdragen aan de waterschappen bekostigd. Het bedrag voor de functie waterkeren is bij de provincies derhalve gedaald met circa 67 miljoen euro.

    Ten opzichte van 2010 zijn de kosten ruim 100 miljoen euro gedaald. Naast de toegenomen efficiency waarmee de in het Bestuursakkoord Water afgesproken doelmatigheidswinst van 9 miljoen euro wordt bereikt, wordt het verschil tussen de prognose van de autonome ontwikkeling veroorzaakt door diverse wijzigingen in het beleid en de ambities van de provincies.

  • Ontwikkelingen bij Rijkswaterstaat
    De uitgaven van Rijkswaterstaat zijn onderdeel van de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Deze begroting wordt voornamelijk gevoed vanuit de algemene middelen, waardoor het voor Rijkswaterstaat niet mogelijk is om de autonome ontwikkeling van de belastingopbrengsten af te zetten tegenover de doelmatigheidswinst. De doelmatigheidsdoelstelling maakt onderdeel uit van het totaalpakket aan efficiencymaatregelen van 800 miljoen euro ter dekking van de onderhoudsproblematiek tot en met 2020. Hierover wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd in bijlage 4 van de Infrastructuurbegroting van IenM.

    In de infrastructuurbegroting van 2017 is de verwachte prognoserealisatie 815-820 miljoen euro, waarmee de beoogde efficiencymaatregelen ruimschoots worden gerealiseerd. Voor het hoofdwatersysteem geldt dat de prijs voor zandsuppleties is gedaald, waardoor Rijkswaterstaat op het beheer en onderhoud van het hoofdwatersysteem de efficiencydoelstellingen heeft behaald.

    Ontwikkeling doelmatigheidswinst Rijkswaterstaat
    Ontwikkeling doelmatigheidswinst Rijkswaterstaat (prijspeil 2011)

  • Lastendruk voor burgers en bedrijven
    Elk huishouden en bedrijf betaalt jaarlijks verschillende belastingen van de overheden die het waterbeheer in ons land uitvoeren en betaalt daarnaast de drinkwaterrekening van het waterbedrijf. Deze infographic laat voor een gezin met één kind, dat in een koop- of huurwoning woning woont, zien wat gemiddeld is betaald en aan wie (bedragen zijn in prijspeil 2016).

    Lastendruk huishoudens

    Dezelfde berekening is gemaakt voor vijf andere, veel voorkomende situaties in ons land. Onderstaande grafieken geven weer wat het betreffende huishouden of bedrijf gemiddeld in ons land betaalde aan:

    a. watersysteem- en wegenheffing aan het waterschap;
    b. zuiveringsheffing aan het waterschap;
    c. rioolheffing aan de gemeente;
    d. bedrag voor het drinkwaterverbruik aan het drinkwaterbedrijf (om de kosten van de drinkwatervoorziening te dekken);
    e. rijksbelastingen die bovenop het drinkwatertarief komen (BTW en de Belasting op Leidingwater), die door de drinkwaterbedrijven ten behoeve van het Rijk worden geïnd;
    f. overige rijksbelastingen ten behoeve van de taken die het Rijk in het waterbeheer heeft;
    g. provinciale en rijksbelastingen ten behoeve van de watertaken van de provincies.

    Lastendruk eenpersoonshuishouden

    Lastendruk bedrijven

    Lastendruk bedrijven

    De lastendruk als gevolg van de belastingen van waterschappen en gemeenten en de tarieven voor drinkwater van de drinkwaterbedrijven bleef in de periode 2010-2016 min of meer stabiel. Dit betekent dat dit deel van de lastendruk zich dus met het inflatieniveau heeft ontwikkeld. Het bedrag aan Rijksbelastingen voor het waterbeheer fluctueert wat meer. Dit komt doordat de kosten van het Rijk voor een deel programma-uitgaven zijn, die een dergelijk verloop kennen.

    Voor drie bedrijfssituaties (agrarisch bedrijf, groothandel en productiebedrijf) is het niet mogelijk om betrouwbaar in beeld te brengen hoeveel er aan Rijks- en provinciale belastingen wordt betaald voor de watertaken van het Rijk en de provincies. Daarom ontbreken deze bedragen in de drie bovenstaande grafieken. Deze bedragen kunnen wel voor alle bedrijven in ons land in totaal worden weergegeven. Dit is onderstaande tabel gedaan.

    Rijks- en provinciale belastingen voor watertaken
    Rijks- en provinciale belastingen die de bedrijven in Nederland in totaal voor de watertaken van het Rijk en de provincies betalen (bedragen in miljoenen euro, prijspeil 2016)

  • Spoor 2: Doelmatigheidswinst in de praktijk

  • Samenwerking in de waterketen
    Het grootste deel van de doelmatigheidswinst die in het Bestuursakkoord Water is afgesproken, wordt gerealiseerd in de waterketen. Hier stemmen de gemeenten, waterschappen en drinkwater - bedrijven hun taken zoveel mogelijk af. De gemeenten en waterschappen hebben hun krachten gebundeld in 49 regio’s. De drinkwaterbedrijven zijn hierbij aangehaakt. De koepels Unie van Waterschappen, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Vereniging van Waterbedrijven in Nederland stimuleren en faciliteren de samenwerkingsverbanden.

    De samenwerking is voorts gefaciliteerd via kenniscoaches en het digitale platform samenwerkenaanwater.nl. Tot slot brengen de drie koepels jaarlijks de voortgang en het tussentijdse resultaat van de samenwerking in beeld.

    Doelrealisatie kostenbesparingen samenwerkingsregio's van gemeenten en waterschappen (% realisatie begin 2017 t.o.v. ambitie in 2020)

    Deze kaart geeft de doelrealisatie weer van de besparing op de jaarlijkse kosten per regio voor de gemeenten en waterschappen aan het begin van 2017. De doelrealisatie is uitgedrukt in een percentage ten opzichte van de ambitie voor 2020 die de regio’s hebben vastgelegd in plannen. Wanneer de door de regio’s aangeleverde cijfers worden opgeteld, blijkt dat zij op dat moment 84 procent van de door hen zelf beoogde kostenbesparing in de afvalwaterketen hadden gerealiseerd.

    Onderstaande kaart geeft de doelrealisatie weer van de besparing op de jaarlijkse kosten van de drinkwaterbedrijven aan het begin van 2017. De getotaliseerde gerealiseerde kostenbesparing van de drinkwaterbedrijven bedroeg begin 2017 114 procent van hun eigen ambitie voor het jaar 2020. Ook zetten gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven concrete stappen om kwaliteit van de uitvoering van de beheertaken in de waterketen te verhogen en de personele kwetsbaarheid te verminderen.


    Doelrealisatie kostenbesparingen drinkwaterbedrijven (% realisatie begin 2017 t.o.v. ambitie in 2020)

    De kwaliteit van de uitvoering van de beheertaken (en keuzes die daarbij aan de orde zijn) vormt een belangrijke bouwsteen voor de te realiseren kostenbesparingen. Dat geldt voor de periode tot 2020 en daarna. Belangrijke partijen hierbij zijn de kennisinstituten van de gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven: Stichting RIONED, STOWA en KWR Water Research. De respectievelijke organisaties doen via hen gezamenlijk onderzoek om hun productie- en distributieprocessen te verbeteren en in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Voorts geldt dat bij de organisaties innovatie een speerpunt is. Daarnaast zijn de drie benchmarks in de waterketen een belangrijk instrument om het kwaliteitsniveau van de drinkwaterbedrijven, gemeenten en waterschappen onderling te monitoren.

    De uitkomsten worden door de organisaties gebruikt om hun eigen bedrijfsprocessen verder te optimaliseren en te professionaliseren. Eind 2016 zijn de rapporten over het jaar 2015 uitgebracht.

    Voor de afvalwaterketen, waarin de gemeenten en waterschappen actief zijn, geldt dat inzicht in de feitelijke toestand en het functioneren van de keten leidt tot optimale beheers- en investeringsbeslissingen bij vervanging van voorzieningen (riolering, gemalen, zuiveringen e.d.), bij het realiseren van de opgaven klimaatadaptatie en waterkwaliteit en bij maatregelen in het dagelijks beheer (o.a. reinigen en inspecteren).

    Kwaliteit van de dienstverlening is voor de drinkwaterbedrijven topprioriteit en zij werken dan ook voortdurend aan het vergroten van hun professionaliteit. Dat gebeurt bijvoorbeeld door kwaliteitscertificering en daaraan gekoppelde interne kwaliteitsaudits. Ten slotte is training en opleiding een speerpunt bij alle bedrijven.

    De regio’s en drinkwaterbedrijven hebben ook voor het thema kwaliteit ambities geformuleerd. Onderstaande kaarten geven de doelrealisatie weer van deze ambities voor de waterschappen en gemeenten, respectievelijk de drinkwaterbedrijven aan het begin van 2017.

    Voor de waterschappen en gemeenten geldt dat de regio’s gemiddeld inmiddels 63 procent van de eigen ambitie hebben gerealiseerd op het gebied van kwaliteit. Uit het kaartbeeld blijkt dat een aantal regio’s goed op koers ligt om de eigen doelstellingen in 2020 te realiseren.

    Voor de drinkwaterbedrijven is de gemiddelde realisatie 77 procent, wat betekent dat zij op koers liggen wat betreft het halen van de eigen kwaliteitsdoelstellingen.

    Doelrealisatie op terrein van kwaliteit van de samenwerkingsregio’s van gemeenten en waterschappen (% realisatie begin 2017 t.o.v. ambitie in 2020)


    Doelrealisatie op terrein van kwaliteit van de drinkwaterbedrijven (% realisatie begin 2017 t.o.v. ambitie in 2020)

    Personele kwetsbaarheid

    De regio’s en drinkwaterbedrijven hebben ook voor het thema personele kwetsbaarheid eigen ambities geformuleerd.

    Voor de gemeenten en waterschappen gaat het onder meer om gezamenlijke kennisontwikkeling, specialisatie in regionaal verband en uitwisseling van personeel. Het verminderen van kwetsbaarheid leidt tot het garanderen van continuïteit in de uitvoering van de beheertaken en tot een verhoging van de kwaliteit ervan (professionaliteit).

    Ook de drinkwaterbedrijven werken hard aan het verlagen van de kwetsbaarheid van hun organisaties. Kennis wordt vastgelegd in managementsystemen, er is veel aandacht voor kennisoverdracht bij de medewerkers en tussen de bedrijven onderling wordt kennis structureel uitgewisseld.

    De figuren hieronder geven de doelrealisatie weer van de ambities op het terrein van personele kwetsbaarheid in het begin van 2017 voor de regio's van gemeenten en waterschappen respectievelijk drinkwaterbedrijven.

    Doelrealisatie op aspect vermindering van kwetsbaarheid van de samenwerkingsregio’s van gemeenten en waterschappen (% realisatie begin 2017 t.o.v. ambitie in 2020)

    Doelrealisatie op aspect vermindering van kwetsbaarheid van de drinkwaterbedrijven (% realisatie begin 2017 t.o.v. ambitie in 2020)

    Gemeenten en waterschappen hebben aan het begin van 2017 gemiddeld 57 procent gerealiseerd van de ambitie op het gebied van kwetsbaarheid. Een aantal regio's ligt goed op koers om haar doelstellingen in 2020 te realiseren.

    De drinkwaterbedrijven hebben gemiddeld 84 procent gerealiseerd van de ambities, waaruit blijkt dat ook zij op koers liggen.

  • Overige doelmatigheidswinst drinkwaterbedrijven
    Buiten de waterketen werken drinkwaterbedrijven ook veel samen met andere organisaties om de doelmatigheid te vergroten en de kosten en overlast voor de burger te verminderen. Concreet gebeurt dat in alle regio's met nutsbedrijven, waarbij het doel is om de overlast bij het openleggen van de straat voor de burger en bedrijven zo laag mogelijk te houden. In toenemende mate wordt daarbij gewerkt met gecombineerde werkzaamheden van verschillende nutsfuncties (water, gas, elektra, kabels), waarbij ook aanbesteden, projectmanagement en toezichthouden steeds vaker gezamenlijk worden opgepakt.

  • Voorbeeldproject: Samenwerking in de waterketen Noord- en Midden-Limburg
    Negentien overheden uit Noord- en Midden-Limburg, verenigd in Waterpanel Noord, hebben in maart 2016 een vernieuwd samenwerkingsconvenant in de waterketen gesloten. De gemeenten, de inmiddels gefuseerde Limburgse waterschappen en het Waterschapsbedrijf Limburg werkten al langer samen in deze regio. De toetreding van het Limburgse drinkwaterbedrijf Waterleidingmaatschappij Limburg tot de samenwerking was een belangrijke reden om het nieuwe convenant af te sluiten.

    De organisaties werken samen op het gebied van de inzameling en het transport van (stedelijk) afvalwater, de doelmatige inzameling en verwerking van regenwater en een voldoende en duurzame drinkwatervoorziening. Ben Buiting, voorzitter van Waterpanel Noord:  “Burgers verwachten een goed werkende, efficiënte waterketen. Processen op elkaar afstemmen, van elkaars expertise gebruik maken, projecten en investeringen samen oppakken en elkaar bij de uitvoering van taken ondersteunen.  De samenwerking is ingezet vanuit het Bestuursakkoord Water en heeft de afgelopen jaren al een besparing van 11,5 miljoen euro opgeleverd.

    Gezamenlijk voeren de samenwerkingspartners projecten uit op het gebied van onder meer rioolvervanging en -renovatie, meten en monitoring, databeheer en de aanpak van riooloverstorten. Het project Waterklaar maakt burgers bewust van hun rol in de waterketen en stimuleert en helpt hen om het regenwater van hun tuinen af te koppelen van het riool. Dit draagt bij aan het voorkomen van wateroverlastproblemen.

    Voor meer voorbeelden zie samenwerkenaanwater.nl.

  • Doelmatigheidswinst waterschappen buiten de waterketen

    Ook buiten de waterketen genereren de waterschappen extra doelmatigheidswinst in het waterbeheer. Dit gebeurt door maatregelen in de eigen organisatie en door de samenwerking met andere waterschappen, gemeenten, Rijk en provincies te verbreden en te intensiveren. Hier worden de samenwerking van de waterschappen met de gemeenten op het gebied van belastingheffing alsmede de samenwerking tussen de waterschappen en Rijkswaterstaat belicht.

    Samenwerking leidt tot lagere perceptiekosten van waterschapsbelastingen

    Een terrein waarop de waterschappen intensief de samenwerking met elkaar en de gemeenten zoeken, is het opleggen en invorderen van belastingen. In het afgelopen decennium heeft ieder waterschap onderzocht welke vorm van samenwerking het best passend is. Aan het eind van 2015 hadden achttien waterschappen de uitvoering van hun belastingtaken ondergebracht in een samenwerkingsverband. Soms is dit een samenwerkingsverband van één waterschap met meer gemeenten, maar vaak is dit een organisatie waarin enkele waterschappen de krachten hebben gebundeld en waarbij ook steeds meer gemeenten aanhaken.

    De volgende cijfers brengen in beeld hoe het aantal gemeenten waarmee de waterschappen en hun belastingkantoren samenwerken zich heeft ontwikkeld. Voor een goed begrip van de cijfers is het van belang te weten dat er in ons land ook samenwerkingsverbanden zijn waaraan alleen gemeenten deelnemen, waardoor het niet voor alle gemeenten interessant is aan te haken bij (de samenwerkingsverbanden van) de waterschappen.

    Samenwerking gemeenten en waterschappen belastingheffing en invordering

    Wat betreft het proces van kwijtschelding van belastingen is het aantal gemeenten waarmee wordt samengewerkt gestegen van 201 in 2013 naar 242 in 2015. Voor de bredere samenwerking op het gebied van de belastingheffing en -invordering is het aantal gemeenten gestegen van 85 in 2013 naar 107 in 2015. Het aantal gemeenten waarvoor de (samenwerkingsverbanden van) waterschappen de taxaties voor de Wet Waardering onroerende zaken uitvoeren, steeg van 81 in 2013 tot 105 in 2015.

    Het opleggen en innen van de waterschapsbelastingen kost geld. Dit worden perceptiekosten genoemd. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten van het inwinnen van de gegevens die nodig zijn om aanslagen te kunnen samenstellen, het maken en versturen van aanslagbiljetten en het nemen van maatregelen als aanslagen niet op tijd worden betaald. De perceptiekosten worden uitgedrukt als aandeel van de opgelegde belastingopbrengst. De intensivering van de samenwerking heeft er in belangrijke mate aan bijgedragen dat in vergelijking met 2007 het aandeel van de perceptiekosten inmiddels 35 procent lager is.

    Perceptiekosten

  • Samenwerking waterschappen en Rijkswaterstaat
    Omdat de taken van de waterschappen en de regionale organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat voor een deel vergelijkbaar zijn, hebben deze organisaties veel mogelijkheden om efficiencywinst te boeken door middel van samenwerking bij de uitvoering. Sinds het afsluiten van het Bestuursakkoord Water (2011) verkennen zij regionaal welke samenwerkingsmogelijkheden er concreet zijn en zetten zij samenwerkingstrajecten in gang. Om de samenwerking in de regio’s te faciliteren, functioneert het door de Unie van Waterschappen en Rijkswaterstaat opgerichte ’Platform Slim Samenwerken’. De samenwerking verloopt over een aantal sporen: verminderen van kwetsbaarheid, kostenreductie, kennis delen en kwaliteitsverbetering. Door gebruik te maken van elkaars kennis, expertise en ervaring werken de twee waterbeheerders efficiënter en wordt de kwaliteit van het werk in de watersector vergroot.

    Vanuit inkoop en aanbesteding zijn op het gebied van kennisoverdracht, gezamenlijk opleiden en personeelsuitwisseling flinke stappen gezet. Dat geldt ook voor het meten en monitoren van de waterkwaliteit en -kwantiteit. Gezamenlijk onderzoek naar doelmatige monitoring heeft geleid tot concrete voorstellen voor en uitvoering van het gezamenlijk inrichten en beheren van (regionale) meetnetten. Vergunningverleners en handhavers van Rijkswaterstaat en een aantal waterschappen beschikken dankzij slimme samenwerking over een nieuw ICT-systeem waarmee gegevens gecentraliseerd en werkprocessen worden geüniformeerd. Het systeem is nu in gebruik bij Rijkswaterstaat en negen waterschappen.

    Andere onderwerpen waar wordt samengewerkt zijn de professionalisering van de leidraden normeringen waterkeringen, crisisbeheersing, mobiliteit en areaalbeheer.

    Onderstaande grafiek geeft voor diverse onderwerpen aan hoeveel waterschappen er eind 2013 en eind 2015 een operationele samenwerking met de regionale organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat hadden.

    Ontwikkeling samenwerking waterschappen en Rijkswaterstaat
    Ontwikkeling van de samenwerking tussen de waterschappen en  Rijkswaterstaat

    Op het gebied van informatievoorziening heeft het Informatiehuis Water (IHW) verder gestalte gekregen. IHW is een gezamenlijk initiatief van de waterschappen, provincies en Rijkswaterstaat. Het IHW werkt aan uniforme, toegankelijke en bruikbare informatie over water. De afgelopen periode is dit gerealiseerd voor waterkwaliteit, waarbij het IHW de Kaderrichtlijn Water informatie heeft verzameld en ontsloten via het Waterkwaliteitsportaal. Het IHW ontwikkelt zich de komende tijd door op de domeinen waterveiligheid en waterkwantiteit.

    Op vrijwel alle onderwerpen heeft een intensivering van de samenwerking plaatsgevonden. Alleen op het gebied van het beheer van primaire waterkeringen en de overdracht van waterkeringen lijkt sprake van een vermindering van de intensiteit van de samenwerking. Wat betreft de overdracht van waterkeringen is dit te verklaren uit het feit dat dit een activiteit is die op projectbasis plaatsvindt en dus een incidentele samenwerking betreft.

  • Voorbeeldproject: Dijkversterking Diefdijklinie
    De Diefdijklinie - in beheer bij het waterschap Rivierenland - beschermt de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden tegen het water dat bij een dijkdoorbraak in Gelderland uit de Betuwe of Tieler- en Culemborgerwaarden zou stromen. De Diefdijk was niet overal stabiel genoeg en moest daarom versterkt worden. Daarnaast wilden het Rijk en de provincie enkele historische elementen van de dijk, zoals forten en loopgraven, restaureren en beschouwden omwonenden de Diefdijk als verkeersonveilig. De verschillende belangen stonden een eenduidig beheer en beleid in de weg en werkten kostbare deeltrajecten in de hand.

    Met deze achtergrond heeft het waterschap bij versterking van de Diefdijklinie gekozen voor een integrale gebiedsopgave. Dit houdt in dat vanaf het begin van het traject waterschap Rivierenland, de provincies Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland gezamenlijk zijn opgetrokken met het projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie, diverse gemeenten en de bewoners. Tijdens bewonersavonden presenteerden alle betrokken instanties zich als op een markt. De bewoners konden gericht in gesprek gaan en vragen stellen. Op deze manier is gewerkt aan draagvlak onder de bevolking. Door alle belangen samen te voegen in één plan met één uitvoerder is er bovendien een kostenbesparing gerealiseerd. Het project is in september 2016 opgeleverd.

  • Voorbeeldproject: Ecowatch
    Een overschot aan nutriënten heeft een negatieve invloed op de waterkwaliteit in het Paterswoldsemeer, ten zuiden van de stad Groningen. Hierdoor ontstaat er onder andere blauwalg. In een samenwerkingsproject hebben het waterschap Noorderzijlvest en de provincie Friesland Ecowatch ontwikkeld. Dit is een veldmonitor waarmee de oppervlaktewaterkwaliteit op afstand gemeten kan worden. De Ecowatch staat op een paal in het meer, meet de hele dag de kwaliteit van het water en stuurt de gegevens via het internet door. Het waterschap kan hierdoor zijn watermanagement economisch meer verantwoord uitvoeren en tegelijk meer leren over het ontstaan van blauwalg. Andere voordelen zijn het beter kunnen inschatten van risico’s, het sneller kunnen nemen van maatregelen en het sneller en beter informeren van het publiek en betrokkenen.

  • Doelmatigheidswinst provincies
    Door provincies wordt doelmatigheidswinst behaald door intensievere samenwerking met waterschappen op het gebied van ruimtelijke planvorming. Concrete voorbeelden uit de praktijk bevestigen dat het Bestuursakkoord Water (BAW) daadwerkelijk leidt tot meer samenwerking, efficiency en andere benaderingen die zich uitdrukken in doelmatigheidswinst. Het BAW vormt kortom een duidelijke impuls voor samenwerking in de praktijk.

  • Doelmatigheidswinst Rijkswaterstaat
    Rijkswaterstaat heeft zich binnen de scope van het hoofdwatersysteem gecommitteerd aan een doelmatigheidswinst van (afgerond) 25 miljoen euro per jaar. De doelmatigheidsdoelstelling maakt onderdeel uit van het totaalpakket aan efficiencymaatregelen van 800 miljoen euro, waarmee de kosten voor het beheer en onderhoud beheersbaar blijven. Voor het hoofdwatersysteem realiseert Rijkswaterstaat de efficiency door een daling van de prijs voor zandsuppleties. Dit wordt gerealiseerd door een andere wijze van aanbesteden. Er worden langjarig en meerdere percelen aanbesteed voor een contractperiode met meer concurrentie.

    Daarnaast beoogt Rijkswaterstaat besparingen te realiseren door het meerjarig contracteren van het overige variabel onderhoud bij het hoofdwatersysteem.

    De beoogde besparing op de kustzandsuppleties voor de periode tot en met 2016 is gerealiseerd. Voor de periode tot 2020 is de prognose dat ook dan de besparing wordt behaald, maar de ontwikkeling van de markt en economie hebben hier een grote invloed op. Deze veroorzaken dat de prognose een beperkte betrouwbaarheid heeft.

  • Spoor 3: Ontwikkeling van de prestaties

    In het derde spoor wordt voor de partijen uit de waterketen beschreven hoe de prestaties zich in de looptijd van het Bestuursakkoord Water hebben ontwikkeld.

  • Prestaties in de rioleringszorg van gemeenten
    Gemeenten leveren goede prestaties in de rioleringszorg. Het aandeel rioolrenovatie neemt toe ten opzichte van de rioolvervanging, maar het areaal van de vrijvervalriolering neemt nog steeds toe. De gerealiseerde doelmatigheidswinst is niet ten koste gegaan van de kwaliteit van de dienstverlening.

    Door klimaatverandering en heviger buien lijkt het aantal malen hemelwateroverlast vaker voor te komen. In 2012 registreerden gemeenten op 1.330 locaties overlast terwijl in 2016 9.323 keer sprake was van overlast of hinder van hemelwater en 15.900 keer overlast of hinder van grondwater. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat in 2016 voor het eerst is gerapporteerd over hinder. Daarnaast valt in het ene jaar meer extreme regen dan in het andere jaar, waardoor de cijfers niet één op één kunnen worden vergeleken.

    In 2012 waren er 630 overstorten en hemelwateruitlaten met negatieve effecten op het ontvangende oppervlaktewater, terwijl dat er in 2016 slechts 336 waren. In 2013 was de totale lengte van de vrijvervalriolering 94.600 km en in 2016 was dit 97.300 km. De vervanging en renovatie van het vrijvervalstelsel neemt toe. In de jaren 2010-2012 werd 650 km buis vervangen en 175 km gerenoveerd (0,69 procent van het totaal aantal km). In de jaren 2013-2015 werd gemiddeld per jaar 417 km vervangen (0,43 procent), 192 km gerenoveerd (0,20 procent) en 389 km (0,40 procent) verbeterd.

    Prestaties in de rioleringszorg van gemeenten
    Prestaties in de rioleringszorg van gemeenten 

  • Prestaties in de afvalwaterzuivering van de waterschappen
    De prestaties van het zuiveringsbeheer door de waterschappen zijn in de periode 2009-2015 verbeterd. Dit betekent dat de doelmatigheidswinst niet ten koste is gegaan van de kwaliteit van de dienstverlening. De waterschappen hebben in 2015 voor 97,6 procent voldaan aan de afnameverplichting voor het aangeboden afvalwater. In 2009 bedroeg dat nog 96,2 procent.

    Tevens hebben de waterschappen het zuiveringsrendement verhoogd van 86,6 procent in 2009 naar 87,2 procent in 2015 ruimschoots. Daarnaast zijn de prestaties met betrekking tot lozingseisen duidelijk verbeterd: waar in 2009 nog voor 97,5 procent werd voldaan aan de lozingseisen, bedroeg dit in 2015 99,0 procent.

    In 2015 verbruikten de waterschappen circa 7.500 TJ aan energie. Dit is een vermindering van 3,2 procent ten opzichte van 2009. Daarnaast is jaarlijks gemiddelde 3,1 procent aan energie-efficiency gerealiseerd, waarmee de landelijke doelstellingen van gemiddelde 2 procent per jaar ruimschoots wordt overschreden. Het percentage duurzame energie in het zuiveringsbeheer is gestegen van 94 procent in 2012 tot 103 procent in 2015. Het aandeel van de verbruikte energie dat door de waterschappen zelf wordt geproduceerd, steeg van 28 procent in 2012 naar 32 procent in 2015.

  • Prestaties drinkwaterbedrijven
    De prestaties van de drinkwaterbedrijven bleven goed op peil. De indicatoren die het meest zeggen over het product en de ervaring van de consument geven aan dat de kwaliteit van het drinkwater voor vrijwel 100 procent voldoet aan de wettelijke normen en dat de klanttevredenheid wederom is gegroeid naar een rapportcijfer van 7,8. In 2015 hadden klanten gemiddeld 6:33 minuten geen waterlevering als gevolg van storingen. In 2009 was dat nog 7:35 minuten en in 2012 5:57 minuten.

    Het energieverbruik daalde van 0,52 kWh/m³ in 2012 tot 0,50 kWh/m³ in 2015. In 2009 bedroeg het energieverbruik ook 0,5 kWh/m³. Het aandeel duurzame energie steeg van tachtig naar honderd procent. In 2015 bedroeg de totale investering door de sector in de vervanging van het leidingnet 186 miljoen euro. Dat is 41 procent van de totale investering van de sector. De indicatoren geven aan dat de kwaliteit van de prestaties van de drinkwaterbedrijven op goed niveau is.

  • Prestaties in het watersysteembeheer
    Hier wordt voor de partijen die een bijdrage leveren aan de doelmatigheidsverbetering in het watersysteembeheer, beschreven hoe hun prestaties zich hebben ontwikkeld in de periode dat het Bestuursakkoord Water loopt.

  • Prestaties waterschappen in het watersysteembeheer
    De prestaties in het watersysteembeheer door de waterschappen laten in de periode 2009-2015 op vrijwel alle in dit kader gemeten indicatoren een verbetering zien van vrijwel alle prestaties. Dit betekent dat de doelmatigheidswinst niet ten koste is gegaan van de kwaliteit van de dienstverlening. Het aandeel van de ca. 3.600 kilometer primaire waterkeringen dat voldoet aan de normen is door de inzet van het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma toegenomen van 42 procent in 2009 naar 73 procent in 2015 (zie ook Waterveiligheid).

    Daarnaast hebben waterschappen ruim 14.000 kilometer niet-primaire waterkeringen in beheer. In 2015 voldeed 4.822 kilometer aan de vastgestelde veiligheidsnormen. Dat is minder dan in 2009 (5.122 km) en 2012 (5.422 km), omdat de normen in tussentijd sterk zijn verhoogd. Het percentage van de oppervlakte van de beheergebieden dat aan de normen om onaanvaardbare wateroverlast te voorkomen voldoet, is toegenomen tot 99,1 procent in 2015. In 2009 bedroeg dit nog 87,7 procent en in 2012 98,9 procent. In 2015 voldeed 43 procent van de waterlichamen aan de Europese normen voor de waterkwaliteit van het oppervlaktewater. Dit percentage is gedaald van 77 procent in 2009 en 53 procent in 2011 als gevolg van aangescherpte normen. Het aandeel zwemwaterlocaties dat voldoet aan de Europese zwemwaterrichtlijn 2006 is gestegen van 91 procent in 2011 tot 97 procent in 2015. Het aandeel van de aanvragen voor vergunningen in het kader van de Waterwet en de keur dat door de waterschappen binnen de wettelijke termijnen is afgewikkeld, is toegenomen van 82 procent in 2009 naar 92 procent in 2015. Waterschappen hebben in 2015 voor 98 procent duurzaam ingekocht aan producten, diensten en werken waarvoor duurzaamheidscriteria zijn vastgesteld. Dat is een stijging met 13 procent over de periode 2009-2015.

    Gemaal Zoetermeer
    Gemaal Zoetermeer

  • Prestaties Rijkswaterstaat
    Bij Rijkswaterstaat wordt voor het meten van de prestaties aangesloten bij bestaande processen, waarmee de scores op prestatie-indicatoren worden gemeten. In het watermanagement gaat het om de prestatie-indicatoren met betrekking tot de informatievoorziening die nodig is voor een adequaat watermanagement en het niveau van de streefpeilen van drie belangrijke watersystemen.

    Bij waterkeren gaat het om de handhaving van de basiskustlijn en de beschikbaarheid van de stormvloedkeringen. De prestaties met betrekking tot waterkwaliteit worden beoordeeld aan de hand van de chemische en ecologische kwaliteit van de rijkswateren en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De score op de prestatie-indicatoren wordt periodiek gemeten. De Tweede Kamer wordt via de begroting en de jaarverantwoording van het ministerie van Infrastructuur en Milieu geïnformeerd.

    Over het algemeen geldt dat Rijkswaterstaat voldoet aan de eisen en normen die binnen deze indicatoren worden gesteld. Zie de KRW-Jaarrapportage 2016 van Rijkswaterstaat.

  • Prestaties provincies
    Aangezien 9 miljoen euro doelmatigheidswinst al per 2011 is gerealiseerd, voegt het benoemen en monitoren van prestatie-indicatoren van de provincies in het kader van deze monitoring van het Bestuursakkoord Water nauwelijks iets toe. Er worden in deze rapportage dan ook geen prestatie-indicatoren voor de provincies weergegeven.

  • Conclusies lastenontwikkeling en doelmatigheidswinst
    De voortgang van de doelmatigheidswinst, zoals afgesproken in het Bestuursakkoord Water (BAW), ligt voor op het afgesproken pad. Dit blijkt uit de ontwikkeling van de opbrengsten van de heffingen en de drinkwaterkosten. Deze ontwikkeling blijft in de periode 2010-2016 namelijk duidelijk onder de lijn van de BAW-prognose. Hiermee wordt de afgesproken doelmatigheidsdoelstelling tot op heden gerealiseerd. Ook de heffingen voor burgers en bedrijven ontwikkelen gematigder dan zonder het BAW het geval zou zijn.

    Ondanks dat de realisatie van de doelmatigheid voorligt op de afgesproken koers, lijden de prestaties niet onder het versneld realiseren van de doelmatigheidsdoelstelling. Integendeel, de prestaties blijven op niveau of zijn in de periode 2010-2016 verbeterd. Op basis van de doelmatigheidsdoelstelling zijn de betrokken partijen voortvarend aan de slag gegaan door buiten de geijkte kaders te zoeken naar manieren om kosten te besparen en hiermee aan de doelstelling te kunnen voldoen. Met name gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven hebben geleerd om de kostenstijging te beperken door middel van intensievere samenwerking, toegenomen efficiency en verbeterd assetmanagement.

    Op grond van de huidige ontwikkelingen wordt verwacht dat de beoogde doelmatigheidsdoelstelling in 2020 zal worden gerealiseerd. Hiervoor is het noodzakelijk dat de betrokken partijen zich ook in de komende periode blijven inzetten voor het verbeteren van efficiency en intensieve samenwerking.

  • Financiering van het waterbeheer in de toekomst

    In 2014 bracht de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) het rapport ‘Water governance in The Netherlands; Fit for the future?’ uit. In het rapport constateert de OESO dat het Nederlandse waterbeheer momenteel een stabiele financiële structuur kent. Wel ziet de OESO voor de lange termijn enkele uitdagingen met betrekking tot de duurzaamheid en toekomstbestendigheid van de bekostiging.

    Dit komt met name door toenemende onevenwichtigheid tussen groei- en krimpregio s, bouwen op (voor waterbeheer) ongunstige locaties, gevolgen van toenemend medicijngebruik en het lage water/risicobewustzijn van de Nederlanders. De OESO vindt bovendien dat er beter en meer gebruik kan worden gemaakt van economische prikkels om efficiënt om te gaan met te veel , te weinig en vooral te vervuild water. De OESO pleit voor een striktere toepassing van het principe ‘de vervuiler/gebruiker betaalt’.

    De OESO richt zich in haar conclusies dus zowel op meer bewustwording (waterbewustzijn) als op economische prikkels gericht op gedragsverandering. Naar aanleiding van het OESO-rapport doen de bestuurlijke partners (ministerie van IenM, UvW, VNG, IPO en Vewin) nader onderzoek. Als onderdeel daarvan verscheen in juni 2015 het rapport ‘Toekomstige en duurzame financiering van het Nederlandse waterbeheer’. Het gaat over de huidige bekostiging in het Nederlandse waterbeheer en over relevante toekomstige ontwikkelingen die deze bekostiging kunnen beïnvloeden.

    De bestuurlijke discussie die mede op basis van het rapport is gevoerd, leverde als gedeeld beeld op dat de basis van de bekostiging op orde is. Een grote systeemwijziging van de financiering van het waterbeheer is daarom niet noodzakelijk. Gezien de toekomstige ontwikkelingen is er echter wel aanleiding om binnen het bestaande stelsel te verkennen waar verbeteringen mogelijk zijn.

    Er is voor vier thema’s geïnventariseerd welke maatregelen kansrijk zijn: zoetwater (duurzame financiering grond- en oppervlaktewater), waterkwaliteit (diffuse bronnen en nieuwe stoffen), stedelijk waterbeheer en het belastingstelsel van de waterschappen. In 2017 worden de kansrijke maatregelen gecombineerd met de beleidsambities die op de vier thema’s spelen. De planning is om eind 2017 een bestuurlijk advies op te leveren met mogelijke verbeteringen in de financiering van het waterbeheer voor de korte en de lange termijn.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat, Unie van Waterschappen, VNG, IPO en Vewin.

Over De Staat van Ons Water

Elk jaar wordt aan de Tweede Kamer gerapporteerd hoe het staat met de uitvoering van het waterbeleid in Nederland. Dat gebeurt middels de Staat van Ons Water. De rapportage vermeldt de ontwikkelingen in het voorgaande jaar en wordt jaarlijks in mei geactualiseerd. De getoonde gegevens gaan daarom grotendeels over 2015.

Op staatvanonswater.nl vind je algemene informatie over aansprekende onderwerpen zoals de beschikbaarheid van schoon water, hoe ons land beschermd wordt tegen overstromingen en hoe de Nederlandse expertise op watergebied wereldwijd wordt ingezet. Wat het waterbeheer zoal kost en wat en waarvoor je precies betaalt wordt ook uit de doeken gedaan.

Het beleid waarover wordt gerapporteerd is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021, het Bestuursakkoord Water 2011 en de Beleidsnota Drinkwater. In de Staat van Ons Water wordt eveneens verslag gedaan over de uitvoering van de Europese richtlijnen over waterkwaliteit, overstromingsrisico’s en de mariene strategie voor de Noordzee.  

De vele links op de site helpen je om makkelijk te kunnen doorklikken naar verdere achtergrondinformatie.

Over Ons Water

Wij willen Nederlanders bewuster maken van water. Door te laten zien wat er aan watermanagement gebeurt in Nederland en bij jou in de buurt. Door te laten zien wat er nodig is voor de toekomst, want we zijn nooit klaar met ons water. En door tips te geven wat je zelf kunt doen. 

Kijk op onswater.nl. Daar kun je op jouw postcode informatie en verhalen vinden.

Vragen of opmerkingen?

Voor vragen, opmerkingen en/of suggesties over staatvanonswater.nl kun je mailen naar: info@staatvanonswater.nl